luisteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of luisteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: luisteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: luisterend
Past participle - Verleden deelwoord: geluisterd

Cognates

See the 2 cognates of luisteren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikluister
jijluistert
hijluistert
wijluisteren
jullieluisteren
zijluisteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geluisterd
jijhebt geluisterd
hijheeft geluisterd
wijhebben geluisterd
julliehebben geluisterd
zijhebben geluisterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikluisterde
jijluisterde
hijluisterde
wijluisterden
jullieluisterden
zijluisterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geluisterd
jijhad geluisterd
hijhad geluisterd
wijhadden geluisterd
julliehadden geluisterd
zijhadden geluisterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal luisteren
jijzult luisteren
hijzal luisteren
wijzullen luisteren
julliezullen luisteren
zijzullen luisteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geluisterd hebben
jijzult geluisterd hebben
hijzal geluisterd hebben
wijzullen geluisterd hebben
julliezullen geluisterd hebben
zijzullen geluisterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou luisteren
jijzou luisteren
hijzou luisteren
wijzouden luisteren
julliezouden luisteren
zijzouden luisteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geluisterd hebben
jijzou geluisterd hebben
hijzou geluisterd hebben
wijzouden geluisterd hebben
julliezouden geluisterd hebben
zijzouden geluisterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijluister

Translations

  • hark, to listen attentively
  • list, to listen
  • listen, to listen
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    horen
    toehoren
    afluisteren
    luistervinken
    gehoorzamen
    volgen

    Sample Sentences

    • Zij luisterden altijd zeer oplettend naar mijne gesprekken hierover, maar vooral naar datgene, wat betrekking tot het koopen van Negers had, een handel, die toen daar weinig gedreven werd, om dat men er assientos [...] (Robinson Crusoe)
    • Maar ik werd door mijne verbeelding weggesleept, en gehoorzaamde deze blindelings, zonder naar mijn verstand te luisteren. Toen dus het schip uitgerust, de lading gereed en alles met mijne medereeders geschikt was, ging ik wederom te kwader ure, scheep, den 1sten September 1659, denzelfden dag waarop ik acht jaren [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] mijne boot, maar stond niet weinig verbaasd, toen ik duidelijk op het zand den indruk van een naakten menschenvoet zag. Ik stond als van den donder getroffen, of als of ik een geest gezien had. Ik luisterde, ik zag in het rond, maar hoorde noch zag niets. Ik ging op eene hoogte om verder te kunnen zien, ik ging het strand op en neder, maar zag geen anderen indruk dan dien enkelen. Weer ging ik er heen [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] met dezelfde almagt en wijsheid bestierde, waarmede Hij ze geschapen heeft; dat Hij almagtig was, ons alles doen, alles geven, alles ontnemen kon; en zoo opende ik van lieverlede hem de oogen. Hij luisterde zeer oplettend, en hoorde met veel genoegen hoe Christus gezonden was om ons te verlossen, en hoe wij God behoorden te bidden, en hoe deze ons altijd hoorde, waar wij ook waren. Hij zeide mij eens, [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] vuur was voor de werkers van ongeregtigheid; hoe Hij, die ons allen geschapen had, ons en de geheele wereld door zijn wil vernietigen kon, en al dien tijd had hij met de grootste aandacht naar mij geluisterd. Daarna verhaalde ik hem hoe de duivel, Gods vijand, in de harten der menschen was, en al zijne list besteedde om de goede voornemens der Voorzienigheid tegen te werken, en het rijk van Christus [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch luusteren, lūsteren, from Old Dutch *lūstren, from Proto-West Germanic *hlūstrēn, ultimately from Proto-Indo-European *ḱlew- (“to hear”). Cognate with German Low German lüüstern, luustern (“to listen”), Old High German lūstarēn (whence obsolete or dialectal German laustern, Luxembourgish lauschteren), Saterland Frisian lusterje (“to listen to”). See: German, old spelling 'laustern', Luxembourgish 'lauschteren', Frisian, Saterlandic 'lusterje'.

    Verbs referencing "luisteren"

    Afrikaans luister, Frisian, Saterlandic lusterje, Luxembourgish lauschteren, Low Saxon luustern.

    Additional Information