luiken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of luiken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: luiken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: luikend
Past participle - Verleden deelwoord: geloken

Cognates

See the 6 cognates of luiken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikluik
jijluikt
hijluikt
wijluiken
jullieluiken
zijluiken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geloken
jijhebt geloken
hijheeft geloken
wijhebben geloken
julliehebben geloken
zijhebben geloken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklook
jijlook
hijlook
wijloken
jullieloken
zijloken

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geloken
jijhad geloken
hijhad geloken
wijhadden geloken
julliehadden geloken
zijhadden geloken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal luiken
jijzult luiken
hijzal luiken
wijzullen luiken
julliezullen luiken
zijzullen luiken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geloken hebben
jijzult geloken hebben
hijzal geloken hebben
wijzullen geloken hebben
julliezullen geloken hebben
zijzullen geloken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou luiken
jijzou luiken
hijzou luiken
wijzouden luiken
julliezouden luiken
zijzouden luiken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geloken hebben
jijzou geloken hebben
hijzou geloken hebben
wijzouden geloken hebben
julliezouden geloken hebben
zijzouden geloken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijluik

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

dichtdoen
sluiten

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch luken, from Old Dutch *lūcan, from Proto-West Germanic *lūkan, from Proto-Germanic *lūkaną. See: Middle Dutch 'luken', Proto-Germanic '*lūkaną'.

Verbs referencing "luiken"

English lock.

Additional Information