laven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of laven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: laven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lavend
Past participle - Verleden deelwoord: gelaafd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklaaf
jijlaaft
hijlaaft
wijlaven
jullielaven
zijlaven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelaafd
jijhebt gelaafd
hijheeft gelaafd
wijhebben gelaafd
julliehebben gelaafd
zijhebben gelaafd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklaafde
jijlaafde
hijlaafde
wijlaafden
jullielaafden
zijlaafden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelaafd
jijhad gelaafd
hijhad gelaafd
wijhadden gelaafd
julliehadden gelaafd
zijhadden gelaafd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal laven
jijzult laven
hijzal laven
wijzullen laven
julliezullen laven
zijzullen laven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelaafd hebben
jijzult gelaafd hebben
hijzal gelaafd hebben
wijzullen gelaafd hebben
julliezullen gelaafd hebben
zijzullen gelaafd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou laven
jijzou laven
hijzou laven
wijzouden laven
julliezouden laven
zijzouden laven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelaafd hebben
jijzou gelaafd hebben
hijzou gelaafd hebben
wijzouden gelaafd hebben
julliezouden gelaafd hebben
zijzouden gelaafd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlaaf

Verbs conjugated like 'laven'

aandraven, aaneenkleven, aanschaven, afroven, afschaven, afsloven, beleven, beloven, beroven, beschaven, beven, dichtreven, doven, draven, geloven, kleven, kloven, laven, leven, loven, etc. (List truncated at 20 verbs)

Verbs similar to 'laven'

laden, laken, laten, leven, loven, aaien, baden, banen, baten, beven,

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

drenken
lessen, stillen, verfrissen, verkwikken

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch lāven, from Old Dutch lavon, from Proto-West Germanic *labōn (“to strengthen, refresh”). See: Old Dutch 'lavon'.

Additional Information