kwijtschelden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kwijtschelden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kwijtschelden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kwijtscheldend
Past participle - Verleden deelwoord: kwijtgescholden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikscheld kwijt
jijscheldt kwijt
hijscheldt kwijt
wijschelden kwijt
jullieschelden kwijt
zijschelden kwijt

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb kwijtgescholden
jijhebt kwijtgescholden
hijheeft kwijtgescholden
wijhebben kwijtgescholden
julliehebben kwijtgescholden
zijhebben kwijtgescholden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschold kwijt
jijschold kwijt
hijschold kwijt
wijscholden kwijt
julliescholden kwijt
zijscholden kwijt

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad kwijtgescholden
jijhad kwijtgescholden
hijhad kwijtgescholden
wijhadden kwijtgescholden
julliehadden kwijtgescholden
zijhadden kwijtgescholden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kwijtschelden
jijzult kwijtschelden
hijzal kwijtschelden
wijzullen kwijtschelden
julliezullen kwijtschelden
zijzullen kwijtschelden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal kwijtgescholden hebben
jijzult kwijtgescholden hebben
hijzal kwijtgescholden hebben
wijzullen kwijtgescholden hebben
julliezullen kwijtgescholden hebben
zijzullen kwijtgescholden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kwijtschelden
jijzou kwijtschelden
hijzou kwijtschelden
wijzouden kwijtschelden
julliezouden kwijtschelden
zijzouden kwijtschelden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou kwijtgescholden hebben
jijzou kwijtgescholden hebben
hijzou kwijtgescholden hebben
wijzouden kwijtgescholden hebben
julliezouden kwijtgescholden hebben
zijzouden kwijtgescholden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijscheld kwijt

Translations

  • absolve, to set free
  • absolve, law: to pronounce not guilty; to grant a pardon for
  • acquit, to discharge (for example, a claim or debt)
  • bail, to set free
  • deliver, to set free
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    vergeven
    pardonneren

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch quite schelden. Equivalent to kwijt (“gone, away”) + schelden.

    Additional Information