kwaadspreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kwaadspreken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kwaadspreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kwaadsprekend
Past participle - Verleden deelwoord: kwaadgesproken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspreek kwaad
jijspreekt kwaad
hijspreekt kwaad
wijspreken kwaad
julliespreken kwaad
zijspreken kwaad

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb kwaadgesproken
jijhebt kwaadgesproken
hijheeft kwaadgesproken
wijhebben kwaadgesproken
julliehebben kwaadgesproken
zijhebben kwaadgesproken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksprak kwaad
jijsprak kwaad
hijsprak kwaad
wijspraken kwaad
julliespraken kwaad
zijspraken kwaad

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad kwaadgesproken
jijhad kwaadgesproken
hijhad kwaadgesproken
wijhadden kwaadgesproken
julliehadden kwaadgesproken
zijhadden kwaadgesproken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kwaadspreken
jijzult kwaadspreken
hijzal kwaadspreken
wijzullen kwaadspreken
julliezullen kwaadspreken
zijzullen kwaadspreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal kwaadgesproken hebben
jijzult kwaadgesproken hebben
hijzal kwaadgesproken hebben
wijzullen kwaadgesproken hebben
julliezullen kwaadgesproken hebben
zijzullen kwaadgesproken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kwaadspreken
jijzou kwaadspreken
hijzou kwaadspreken
wijzouden kwaadspreken
julliezouden kwaadspreken
zijzouden kwaadspreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou kwaadgesproken hebben
jijzou kwaadgesproken hebben
hijzou kwaadgesproken hebben
wijzouden kwaadgesproken hebben
julliezouden kwaadgesproken hebben
zijzouden kwaadgesproken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspreek kwaad

Translations

  • badmouth, to criticize or malign, especially unfairly or spitefully
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    kletsen
    roddelen
    lasteren
    bekladden, roddelen

    Sample Sentences

    Etymology

    From kwaad + spreken.

    Additional Information