Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: knielen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: knielend
Past participle - Verleden deelwoord: geknield
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | kniel |
| jij | knielt |
| hij | knielt |
| wij | knielen |
| jullie | knielen |
| zij | knielen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geknield |
| jij | hebt geknield |
| hij | heeft geknield |
| wij | hebben geknield |
| jullie | hebben geknield |
| zij | hebben geknield |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | knielde |
| jij | knielde |
| hij | knielde |
| wij | knielden |
| jullie | knielden |
| zij | knielden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geknield |
| jij | had geknield |
| hij | had geknield |
| wij | hadden geknield |
| jullie | hadden geknield |
| zij | hadden geknield |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal knielen |
| jij | zult knielen |
| hij | zal knielen |
| wij | zullen knielen |
| jullie | zullen knielen |
| zij | zullen knielen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geknield hebben |
| jij | zult geknield hebben |
| hij | zal geknield hebben |
| wij | zullen geknield hebben |
| jullie | zullen geknield hebben |
| zij | zullen geknield hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou knielen |
| jij | zou knielen |
| hij | zou knielen |
| wij | zouden knielen |
| jullie | zouden knielen |
| zij | zouden knielen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geknield hebben |
| jij | zou geknield hebben |
| hij | zou geknield hebben |
| wij | zouden geknield hebben |
| jullie | zouden geknield hebben |
| zij | zouden geknield hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'knielen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'knielen'
kielen,
krielen,
indelen,
kakelen,
kantelen,
kavelen,
kegelen,
keilen,
kekelen,
kelen,
Translations
kneel, to stoop down and rest on the knee
kowtow, kneel such that forehead touches ground
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- buigen
- bukken
Sample Sentences
-
[...] riepen, dat het naar den bodem zou gaan. De storm was zoodanig, dat ik zag, wat men niet dikwijls ziet, den kapitein, den stuurman, den bootsman, en eenigen der verstandigsten van het volk, geknield hunne gebeden opzeggen en zich voorbereiden op een graf in den oceaan. Midden in den nacht, en bij al onzen nood, riep een van het volk, die hierom naar omlaag was gezonden, dat wij een lek hadden; [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] God had mij bevrijd, maar ik had Hem niet verheerlijkt, dat is te zeggen, ik had mijne bevrijding niet aan Hem alleen toegeschreven, en Hem daarvoor gedankt. Dit trof mij tot in de ziel, en dadelijk knielde ik neder, en dankte God met luider stem voor mijne herstelling uit mijne ziekte.
(Robinson Crusoe)
-
[...] om zich daarin te verbergen; en dat ik, ziende dat hij alleen was, en niet bemerkende, dat de anderen hem dien kant uit zochten, mij aan hem vertoonde, met bemoedigende gebaren; dat hij voor mij knielde, en mij om bijstand scheen te smeeken, waarop ik hem mijne ladder wees, hem die deed opstijgen, en hem in mijn kelder bragt, waar hij mijn knecht werd, en zoodra ik dien man verkregen had, zeide ik [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] dacht door mij gevangen genomen en geslagt te zullen worden. Ik wenkte hem toe, en gaf hem alle mogelijke blijken van genegenheid. Eindelijk kwam hij, van tijd tot tijd nederknielende, naderbij, knielde voor mij, kuste den grond, en zette mijn voet op zijn hoofd. Met dit laatste scheen hij te zweren, dat hij voor altijd mijn slaaf was. Ik beurde hem op, en trachtte hem zoo veel mogelijk gerust te [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch knielen, from Old Dutch *kniolon. Ultimately derived from knie, but the source of the l is unknown. See: Old Dutch '*kniolon'.
Verbs referencing "knielen"
English
kneel.
Additional Information