kerkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kerkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kerkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kerkerend
Past participle - Verleden deelwoord: gekerkerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkerker
jijkerkert
hijkerkert
wijkerkeren
julliekerkeren
zijkerkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekerkerd
jijhebt gekerkerd
hijheeft gekerkerd
wijhebben gekerkerd
julliehebben gekerkerd
zijhebben gekerkerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkerkerde
jijkerkerde
hijkerkerde
wijkerkerden
julliekerkerden
zijkerkerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekerkerd
jijhad gekerkerd
hijhad gekerkerd
wijhadden gekerkerd
julliehadden gekerkerd
zijhadden gekerkerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kerkeren
jijzult kerkeren
hijzal kerkeren
wijzullen kerkeren
julliezullen kerkeren
zijzullen kerkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekerkerd hebben
jijzult gekerkerd hebben
hijzal gekerkerd hebben
wijzullen gekerkerd hebben
julliezullen gekerkerd hebben
zijzullen gekerkerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kerkeren
jijzou kerkeren
hijzou kerkeren
wijzouden kerkeren
julliezouden kerkeren
zijzouden kerkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekerkerd hebben
jijzou gekerkerd hebben
hijzou gekerkerd hebben
wijzouden gekerkerd hebben
julliezouden gekerkerd hebben
zijzouden gekerkerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkerker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information