keilen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of keilen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: keilen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: keilend
Past participle - Verleden deelwoord: gekeild

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkeil
jijkeilt
hijkeilt
wijkeilen
julliekeilen
zijkeilen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekeild
jijhebt gekeild
hijheeft gekeild
wijhebben gekeild
julliehebben gekeild
zijhebben gekeild

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkeilde
jijkeilde
hijkeilde
wijkeilden
julliekeilden
zijkeilden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekeild
jijhad gekeild
hijhad gekeild
wijhadden gekeild
julliehadden gekeild
zijhadden gekeild

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal keilen
jijzult keilen
hijzal keilen
wijzullen keilen
julliezullen keilen
zijzullen keilen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekeild hebben
jijzult gekeild hebben
hijzal gekeild hebben
wijzullen gekeild hebben
julliezullen gekeild hebben
zijzullen gekeild hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou keilen
jijzou keilen
hijzou keilen
wijzouden keilen
julliezouden keilen
zijzouden keilen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekeild hebben
jijzou gekeild hebben
hijzou gekeild hebben
wijzouden gekeild hebben
julliezouden gekeild hebben
zijzouden gekeild hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkeil

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

gooien
kwakken, mieteren, slingeren, smakken, smijten, werpen
smijten
donderen, gooien, knallen, kwakken, slaan, slingeren, smakken, werpen

Sample Sentences

Etymology

Additional Information