inzakken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inzakken

The word "inzakken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inzakken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inzakkend
Past participle - Verleden deelwoord: ingezakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzak in
jijzakt in
hijzakt in
wijzakken in
julliezakken in
zijzakken in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingezakt
jijhebt ingezakt
hijheeft ingezakt
wijhebben ingezakt
julliehebben ingezakt
zijhebben ingezakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzakte in
jijzakte in
hijzakte in
wijzakten in
julliezakten in
zijzakten in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingezakt
jijhad ingezakt
hijhad ingezakt
wijhadden ingezakt
julliehadden ingezakt
zijhadden ingezakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inzakken
jijzult inzakken
hijzal inzakken
wijzullen inzakken
julliezullen inzakken
zijzullen inzakken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingezakt hebben
jijzult ingezakt hebben
hijzal ingezakt hebben
wijzullen ingezakt hebben
julliezullen ingezakt hebben
zijzullen ingezakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inzakken
jijzou inzakken
hijzou inzakken
wijzouden inzakken
julliezouden inzakken
zijzouden inzakken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingezakt hebben
jijzou ingezakt hebben
hijzou ingezakt hebben
wijzouden ingezakt hebben
julliezouden ingezakt hebben
zijzouden ingezakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzak in

Verbs similar to 'inzakken'

Translations

  • flop, to fall heavily, because lacking energy
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information