hippen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hippen

The word "hippen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hippen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hippend
Past participle - Verleden deelwoord: gehipt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhip
jijhipt
hijhipt
wijhippen
julliehippen
zijhippen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehipt
jijhebt gehipt
hijheeft gehipt
wijhebben gehipt
julliehebben gehipt
zijhebben gehipt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhipte
jijhipte
hijhipte
wijhipten
julliehipten
zijhipten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehipt
jijhad gehipt
hijhad gehipt
wijhadden gehipt
julliehadden gehipt
zijhadden gehipt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hippen
jijzult hippen
hijzal hippen
wijzullen hippen
julliezullen hippen
zijzullen hippen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehipt hebben
jijzult gehipt hebben
hijzal gehipt hebben
wijzullen gehipt hebben
julliezullen gehipt hebben
zijzullen gehipt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hippen
jijzou hippen
hijzou hippen
wijzouden hippen
julliezouden hippen
zijzouden hippen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehipt hebben
jijzou gehipt hebben
hijzou gehipt hebben
wijzouden gehipt hebben
julliezouden gehipt hebben
zijzouden gehipt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhip

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

See huppen (“to hop”). Cognate with English hop and German hüpfen. See: English 'hop', German, old spelling 'hüpfen'.

Verbs referencing "hippen"

German, old spelling hüpfen, Bavarian hupfa.

Additional Information