grimmen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of grimmen

The word "grimmen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: grimmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: grimmend
Past participle - Verleden deelwoord: gegrimd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgrim
jijgrimt
hijgrimt
wijgrimmen
julliegrimmen
zijgrimmen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegrimd
jijhebt gegrimd
hijheeft gegrimd
wijhebben gegrimd
julliehebben gegrimd
zijhebben gegrimd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgrimde
jijgrimde
hijgrimde
wijgrimden
julliegrimden
zijgrimden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegrimd
jijhad gegrimd
hijhad gegrimd
wijhadden gegrimd
julliehadden gegrimd
zijhadden gegrimd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal grimmen
jijzult grimmen
hijzal grimmen
wijzullen grimmen
julliezullen grimmen
zijzullen grimmen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegrimd hebben
jijzult gegrimd hebben
hijzal gegrimd hebben
wijzullen gegrimd hebben
julliezullen gegrimd hebben
zijzullen gegrimd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou grimmen
jijzou grimmen
hijzou grimmen
wijzouden grimmen
julliezouden grimmen
zijzouden grimmen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegrimd hebben
jijzou gegrimd hebben
hijzou gegrimd hebben
wijzouden gegrimd hebben
julliezouden gegrimd hebben
zijzouden gegrimd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgrim

Verbs similar to 'grimmen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch grimmen, from Old Dutch *grimman, from Proto-West Germanic *grimman, from Proto-Germanic *grimmaną. See: Middle Dutch 'grimmen', Proto-Germanic '*grimmaną'.

Additional Information