ginnegappen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ginnegappen

The word "ginnegappen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ginnegappen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ginnegappend
Past participle - Verleden deelwoord: geginnegapt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikginnegap
jijginnegapt
hijginnegapt
wijginnegappen
jullieginnegappen
zijginnegappen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geginnegapt
jijhebt geginnegapt
hijheeft geginnegapt
wijhebben geginnegapt
julliehebben geginnegapt
zijhebben geginnegapt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikginnegapte
jijginnegapte
hijginnegapte
wijginnegapten
jullieginnegapten
zijginnegapten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geginnegapt
jijhad geginnegapt
hijhad geginnegapt
wijhadden geginnegapt
julliehadden geginnegapt
zijhadden geginnegapt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ginnegappen
jijzult ginnegappen
hijzal ginnegappen
wijzullen ginnegappen
julliezullen ginnegappen
zijzullen ginnegappen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geginnegapt hebben
jijzult geginnegapt hebben
hijzal geginnegapt hebben
wijzullen geginnegapt hebben
julliezullen geginnegapt hebben
zijzullen geginnegapt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ginnegappen
jijzou ginnegappen
hijzou ginnegappen
wijzouden ginnegappen
julliezouden ginnegappen
zijzouden ginnegappen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geginnegapt hebben
jijzou geginnegapt hebben
hijzou geginnegapt hebben
wijzouden geginnegapt hebben
julliezouden geginnegapt hebben
zijzouden geginnegapt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijginnegap

Verbs similar to 'ginnegappen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

1. Compound of ginnen + gappen.
2. The first part is from Middle Dutch ginnen (“to laugh”), from Old Dutch ginnan, from Proto-West Germanic *ginnan, from Proto-Germanic *ginnaną.
3. The second part is from Middle Dutch gabben (“to mock, laugh”), from Old Dutch *gabbon (“to mock, jest”), from Proto-Germanic *gabbōną (“to mock, jest”), from Proto-Indo-European *ghabh- (“to be split, be forked, gape”). See: Proto-Germanic '*ginnaną'.

Additional Information