gappen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gappen

The word "gappen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gappen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gappend
Past participle - Verleden deelwoord: gegapt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgap
jijgapt
hijgapt
wijgappen
julliegappen
zijgappen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegapt
jijhebt gegapt
hijheeft gegapt
wijhebben gegapt
julliehebben gegapt
zijhebben gegapt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgapte
jijgapte
hijgapte
wijgapten
julliegapten
zijgapten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegapt
jijhad gegapt
hijhad gegapt
wijhadden gegapt
julliehadden gegapt
zijhadden gegapt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gappen
jijzult gappen
hijzal gappen
wijzullen gappen
julliezullen gappen
zijzullen gappen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegapt hebben
jijzult gegapt hebben
hijzal gegapt hebben
wijzullen gegapt hebben
julliezullen gegapt hebben
zijzullen gegapt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gappen
jijzou gappen
hijzou gappen
wijzouden gappen
julliezouden gappen
zijzouden gappen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegapt hebben
jijzou gegapt hebben
hijzou gegapt hebben
wijzouden gegapt hebben
julliezouden gegapt hebben
zijzouden gegapt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgap

Translations

  • jack, steal
  • snitch, steal
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    1. Borrowed from Yiddish כאַפּן (khapn, “to grab”), from Polish chapać.
    2. Attested since 1875. See: Polish 'chapać'.

    Additional Information