frazelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of frazelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: frazelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: frazelend
Past participle - Verleden deelwoord: gefrazeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfrazel
jijfrazelt
hijfrazelt
wijfrazelen
julliefrazelen
zijfrazelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefrazeld
jijhebt gefrazeld
hijheeft gefrazeld
wijhebben gefrazeld
julliehebben gefrazeld
zijhebben gefrazeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfrazelde
jijfrazelde
hijfrazelde
wijfrazelden
julliefrazelden
zijfrazelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefrazeld
jijhad gefrazeld
hijhad gefrazeld
wijhadden gefrazeld
julliehadden gefrazeld
zijhadden gefrazeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal frazelen
jijzult frazelen
hijzal frazelen
wijzullen frazelen
julliezullen frazelen
zijzullen frazelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefrazeld hebben
jijzult gefrazeld hebben
hijzal gefrazeld hebben
wijzullen gefrazeld hebben
julliezullen gefrazeld hebben
zijzullen gefrazeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou frazelen
jijzou frazelen
hijzou frazelen
wijzouden frazelen
julliezouden frazelen
zijzouden frazelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefrazeld hebben
jijzou gefrazeld hebben
hijzou gefrazeld hebben
wijzouden gefrazeld hebben
julliezouden gefrazeld hebben
zijzouden gefrazeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfrazel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information