fraggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fraggen

The word "fraggen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fraggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fraggend
Past participle - Verleden deelwoord: gefragd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfrag
jijfragt
hijfragt
wijfraggen
julliefraggen
zijfraggen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefragd
jijhebt gefragd
hijheeft gefragd
wijhebben gefragd
julliehebben gefragd
zijhebben gefragd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfragde
jijfragde
hijfragde
wijfragden
julliefragden
zijfragden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefragd
jijhad gefragd
hijhad gefragd
wijhadden gefragd
julliehadden gefragd
zijhadden gefragd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fraggen
jijzult fraggen
hijzal fraggen
wijzullen fraggen
julliezullen fraggen
zijzullen fraggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefragd hebben
jijzult gefragd hebben
hijzal gefragd hebben
wijzullen gefragd hebben
julliezullen gefragd hebben
zijzullen gefragd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fraggen
jijzou fraggen
hijzou fraggen
wijzouden fraggen
julliezouden fraggen
zijzouden fraggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefragd hebben
jijzou gefragd hebben
hijzou gefragd hebben
wijzouden gefragd hebben
julliezouden gefragd hebben
zijzouden gefragd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfrag

Verbs similar to 'fraggen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English frag. See: English 'frag'.

Additional Information