Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: fonkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fonkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gefonkeld
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | fonkel |
| jij | fonkelt |
| hij | fonkelt |
| wij | fonkelen |
| jullie | fonkelen |
| zij | fonkelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gefonkeld |
| jij | hebt gefonkeld |
| hij | heeft gefonkeld |
| wij | hebben gefonkeld |
| jullie | hebben gefonkeld |
| zij | hebben gefonkeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | fonkelde |
| jij | fonkelde |
| hij | fonkelde |
| wij | fonkelden |
| jullie | fonkelden |
| zij | fonkelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gefonkeld |
| jij | had gefonkeld |
| hij | had gefonkeld |
| wij | hadden gefonkeld |
| jullie | hadden gefonkeld |
| zij | hadden gefonkeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal fonkelen |
| jij | zult fonkelen |
| hij | zal fonkelen |
| wij | zullen fonkelen |
| jullie | zullen fonkelen |
| zij | zullen fonkelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gefonkeld hebben |
| jij | zult gefonkeld hebben |
| hij | zal gefonkeld hebben |
| wij | zullen gefonkeld hebben |
| jullie | zullen gefonkeld hebben |
| zij | zullen gefonkeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou fonkelen |
| jij | zou fonkelen |
| hij | zou fonkelen |
| wij | zouden fonkelen |
| jullie | zouden fonkelen |
| zij | zouden fonkelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gefonkeld hebben |
| jij | zou gefonkeld hebben |
| hij | zou gefonkeld hebben |
| wij | zouden gefonkeld hebben |
| jullie | zouden gefonkeld hebben |
| zij | zouden gefonkeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'fonkelen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'fonkelen'
konkelen,
monkelen,
vonkelen,
donkeren,
fakkelen,
flonkeren,
foefelen,
foetelen,
foezelen,
fronselen,
Translations
Sample Sentences
-
[...] weegs vandaar. Ik vroeg hem wat het was. " O vreugde, o blijdschap ! " riep hij uit. " Dáár mijn land, dáár mijn volk zien ! " Ik bespeurde, dat het genoegen uit zijne trekken blonk, en zijne oogen fonkelden, en uit zijn geheele voorkomen scheen te blijken, dat hij naar zijn vaderland verlangde. Dit bragt mij op ernstige gedachten, zoodat ik in den beginne niet zoo gerust omtrent hem was als vroeger, en [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
Later 18th century, equivalent to vonken (“to spark”) + -elen (iterative suffix). A singularly attested Middle Dutch voncklen (15th c.) seems to have had no continuation. The comparatively late Dutch attestations (some of which in German-influenced texts) make a calque of German funkeln likely. The f- may also be due to the same reason, although this is not certain as the v-form is the older one in Dutch. See: German, old spelling '
funkeln'.
Verbs referencing "fonkelen"
German, old spelling
funkeln.
Additional Information