fonkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fonkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fonkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fonkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gefonkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfonkel
jijfonkelt
hijfonkelt
wijfonkelen
julliefonkelen
zijfonkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefonkeld
jijhebt gefonkeld
hijheeft gefonkeld
wijhebben gefonkeld
julliehebben gefonkeld
zijhebben gefonkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfonkelde
jijfonkelde
hijfonkelde
wijfonkelden
julliefonkelden
zijfonkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefonkeld
jijhad gefonkeld
hijhad gefonkeld
wijhadden gefonkeld
julliehadden gefonkeld
zijhadden gefonkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fonkelen
jijzult fonkelen
hijzal fonkelen
wijzullen fonkelen
julliezullen fonkelen
zijzullen fonkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefonkeld hebben
jijzult gefonkeld hebben
hijzal gefonkeld hebben
wijzullen gefonkeld hebben
julliezullen gefonkeld hebben
zijzullen gefonkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fonkelen
jijzou fonkelen
hijzou fonkelen
wijzouden fonkelen
julliezouden fonkelen
zijzouden fonkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefonkeld hebben
jijzou gefonkeld hebben
hijzou gefonkeld hebben
wijzouden gefonkeld hebben
julliezouden gefonkeld hebben
zijzouden gefonkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfonkel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

blinken
flonkeren, glanzen, schitteren, stralen, twinkelen

Sample Sentences

  • [...] weegs vandaar. Ik vroeg hem wat het was. " O vreugde, o blijdschap ! " riep hij uit. " Dáár mijn land, dáár mijn volk zien ! " Ik bespeurde, dat het genoegen uit zijne trekken blonk, en zijne oogen fonkelden, en uit zijn geheele voorkomen scheen te blijken, dat hij naar zijn vaderland verlangde. Dit bragt mij op ernstige gedachten, zoodat ik in den beginne niet zoo gerust omtrent hem was als vroeger, en [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

Later 18th century, equivalent to vonken (“to spark”) + -elen (iterative suffix). A singularly attested Middle Dutch voncklen (15th c.) seems to have had no continuation. The comparatively late Dutch attestations (some of which in German-influenced texts) make a calque of German funkeln likely. The f- may also be due to the same reason, although this is not certain as the v-form is the older one in Dutch. See: German, old spelling 'funkeln'.

Verbs referencing "fonkelen"

German, old spelling funkeln.

Additional Information