feilen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of feilen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: feilen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: feilend
Past participle - Verleden deelwoord: gefeild

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfeil
jijfeilt
hijfeilt
wijfeilen
julliefeilen
zijfeilen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefeild
jijhebt gefeild
hijheeft gefeild
wijhebben gefeild
julliehebben gefeild
zijhebben gefeild

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfeilde
jijfeilde
hijfeilde
wijfeilden
julliefeilden
zijfeilden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefeild
jijhad gefeild
hijhad gefeild
wijhadden gefeild
julliehadden gefeild
zijhadden gefeild

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal feilen
jijzult feilen
hijzal feilen
wijzullen feilen
julliezullen feilen
zijzullen feilen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefeild hebben
jijzult gefeild hebben
hijzal gefeild hebben
wijzullen gefeild hebben
julliezullen gefeild hebben
zijzullen gefeild hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou feilen
jijzou feilen
hijzou feilen
wijzouden feilen
julliezouden feilen
zijzouden feilen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefeild hebben
jijzou gefeild hebben
hijzou gefeild hebben
wijzouden gefeild hebben
julliezouden gefeild hebben
zijzouden gefeild hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfeil

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

falen
mistasten, tekortschieten

Sample Sentences

Etymology

From feil + -en.

Additional Information