druilen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of druilen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: druilen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: druilend
Past participle - Verleden deelwoord: gedruild

Cognates

See the 2 cognates of druilen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdruil
jijdruilt
hijdruilt
wijdruilen
julliedruilen
zijdruilen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedruild
jijhebt gedruild
hijheeft gedruild
wijhebben gedruild
julliehebben gedruild
zijhebben gedruild

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdruilde
jijdruilde
hijdruilde
wijdruilden
julliedruilden
zijdruilden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedruild
jijhad gedruild
hijhad gedruild
wijhadden gedruild
julliehadden gedruild
zijhadden gedruild

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal druilen
jijzult druilen
hijzal druilen
wijzullen druilen
julliezullen druilen
zijzullen druilen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedruild hebben
jijzult gedruild hebben
hijzal gedruild hebben
wijzullen gedruild hebben
julliezullen gedruild hebben
zijzullen gedruild hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou druilen
jijzou druilen
hijzou druilen
wijzouden druilen
julliezouden druilen
zijzouden druilen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedruild hebben
jijzou gedruild hebben
hijzou gedruild hebben
wijzouden gedruild hebben
julliezouden gedruild hebben
zijzouden gedruild hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdruil

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

miezeren
motregenen, regenen

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "druilen"

English drool, Middle English drullen.

Additional Information