dimmen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dimmen

The word "dimmen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dimmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dimmend
Past participle - Verleden deelwoord: gedimd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdim
jijdimt
hijdimt
wijdimmen
julliedimmen
zijdimmen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedimd
jijhebt gedimd
hijheeft gedimd
wijhebben gedimd
julliehebben gedimd
zijhebben gedimd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdimde
jijdimde
hijdimde
wijdimden
julliedimden
zijdimden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedimd
jijhad gedimd
hijhad gedimd
wijhadden gedimd
julliehadden gedimd
zijhadden gedimd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dimmen
jijzult dimmen
hijzal dimmen
wijzullen dimmen
julliezullen dimmen
zijzullen dimmen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedimd hebben
jijzult gedimd hebben
hijzal gedimd hebben
wijzullen gedimd hebben
julliezullen gedimd hebben
zijzullen gedimd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dimmen
jijzou dimmen
hijzou dimmen
wijzouden dimmen
julliezouden dimmen
zijzouden dimmen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedimd hebben
jijzou gedimd hebben
hijzou gedimd hebben
wijzouden gedimd hebben
julliezouden gedimd hebben
zijzouden gedimd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdim

Verbs similar to 'dimmen'

Translations

  • dim, to make something less bright
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Effe dimmen, vriend. (Check yourself, mate.)

    Etymology

    Borrowed from English dim. See: English 'dim'.

    Additional Information