dichttimmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dichttimmeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dichttimmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dichttimmerend
Past participle - Verleden deelwoord: dichtgetimmerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktimmer dicht
jijtimmert dicht
hijtimmert dicht
wijtimmeren dicht
jullietimmeren dicht
zijtimmeren dicht

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb dichtgetimmerd
jijhebt dichtgetimmerd
hijheeft dichtgetimmerd
wijhebben dichtgetimmerd
julliehebben dichtgetimmerd
zijhebben dichtgetimmerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktimmerde dicht
jijtimmerde dicht
hijtimmerde dicht
wijtimmerden dicht
jullietimmerden dicht
zijtimmerden dicht

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad dichtgetimmerd
jijhad dichtgetimmerd
hijhad dichtgetimmerd
wijhadden dichtgetimmerd
julliehadden dichtgetimmerd
zijhadden dichtgetimmerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dichttimmeren
jijzult dichttimmeren
hijzal dichttimmeren
wijzullen dichttimmeren
julliezullen dichttimmeren
zijzullen dichttimmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal dichtgetimmerd hebben
jijzult dichtgetimmerd hebben
hijzal dichtgetimmerd hebben
wijzullen dichtgetimmerd hebben
julliezullen dichtgetimmerd hebben
zijzullen dichtgetimmerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dichttimmeren
jijzou dichttimmeren
hijzou dichttimmeren
wijzouden dichttimmeren
julliezouden dichttimmeren
zijzouden dichttimmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou dichtgetimmerd hebben
jijzou dichtgetimmerd hebben
hijzou dichtgetimmerd hebben
wijzouden dichtgetimmerd hebben
julliezouden dichtgetimmerd hebben
zijzouden dichtgetimmerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtimmer dicht

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information