bukken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bukken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bukken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bukkend
Past participle - Verleden deelwoord: gebukt

Cognates

See the 2 cognates of bukken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbuk
jijbukt
hijbukt
wijbukken
julliebukken
zijbukken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebukt
jijhebt gebukt
hijheeft gebukt
wijhebben gebukt
julliehebben gebukt
zijhebben gebukt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbukte
jijbukte
hijbukte
wijbukten
julliebukten
zijbukten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebukt
jijhad gebukt
hijhad gebukt
wijhadden gebukt
julliehadden gebukt
zijhadden gebukt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bukken
jijzult bukken
hijzal bukken
wijzullen bukken
julliezullen bukken
zijzullen bukken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebukt hebben
jijzult gebukt hebben
hijzal gebukt hebben
wijzullen gebukt hebben
julliezullen gebukt hebben
zijzullen gebukt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bukken
jijzou bukken
hijzou bukken
wijzouden bukken
julliezouden bukken
zijzouden bukken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebukt hebben
jijzou gebukt hebben
hijzou gebukt hebben
wijzouden gebukt hebben
julliezouden gebukt hebben
zijzouden gebukt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbuk

Translations

  • stoop, to bend the upper part of the body forward and downward
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    buigen
    vooroverbuigen
    toegeven
    wijken, zwichten

    Sample Sentences

    • [...] voor in de boot was, stelde hij de zeilen. Daar ik aan het roer zat, liet ik het eene mijl in zee loopen, en draaide toen bij als om te visschen. Ik gaf daarop den jongen het roer, liep naar voren, bukte als om iets op te rapen, greep den Moor onverhoeds bij den gordel, en wierp hem over boord. Hij kwam bijkans op hetzelfde oogenblik boven, want hij zwom als een visch, en smeekte mij hem op te [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] zaten op den grond allen digt bij elkander, en hadden juist de twee anderen afgezonden om den armen Christen te slagten, en hem misschien aan stukken gehouwen, naar hun vuur te brengen, en zij bukten om de banden aan zijne voeten los te maken. Ik keerde mij tot Vrijdag. " Doe nu zoo als ik gelast heb, " zeide ik. Hij antwoordde van ja, en ik herhaalde: " Vrijdag, doe juist wat gij mij ziet doen, [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch bucken, also bocken, from Old Dutch *bukken, from Proto-Germanic *bukkijaną, related to *beuganą (“to bend”).

    Verbs referencing "bukken"

    Luxembourgish bécken.

    Additional Information