bommen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bommen

The word "bommen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bommen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bommend
Past participle - Verleden deelwoord: gebomd

Cognates

See the 4 cognates of bommen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbom
jijbomt
hijbomt
wijbommen
julliebommen
zijbommen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebomd
jijhebt gebomd
hijheeft gebomd
wijhebben gebomd
julliehebben gebomd
zijhebben gebomd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbomde
jijbomde
hijbomde
wijbomden
julliebomden
zijbomden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebomd
jijhad gebomd
hijhad gebomd
wijhadden gebomd
julliehadden gebomd
zijhadden gebomd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bommen
jijzult bommen
hijzal bommen
wijzullen bommen
julliezullen bommen
zijzullen bommen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebomd hebben
jijzult gebomd hebben
hijzal gebomd hebben
wijzullen gebomd hebben
julliezullen gebomd hebben
zijzullen gebomd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bommen
jijzou bommen
hijzou bommen
wijzouden bommen
julliezouden bommen
zijzouden bommen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebomd hebben
jijzou gebomd hebben
hijzou gebomd hebben
wijzouden gebomd hebben
julliezouden gebomd hebben
zijzouden gebomd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbom

Verbs similar to 'bommen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Z'n gezanik kan me niks bommen. (His whinging doesn't matter to me.)

Etymology

Perhaps an alteration of boeien.

Verbs referencing "bommen"

English boom, English bump.

Additional Information