boemelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of boemelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: boemelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: boemelend
Past participle - Verleden deelwoord: geboemeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikboemel
jijboemelt
hijboemelt
wijboemelen
jullieboemelen
zijboemelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geboemeld
jijhebt geboemeld
hijheeft geboemeld
wijhebben geboemeld
julliehebben geboemeld
zijhebben geboemeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikboemelde
jijboemelde
hijboemelde
wijboemelden
jullieboemelden
zijboemelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geboemeld
jijhad geboemeld
hijhad geboemeld
wijhadden geboemeld
julliehadden geboemeld
zijhadden geboemeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal boemelen
jijzult boemelen
hijzal boemelen
wijzullen boemelen
julliezullen boemelen
zijzullen boemelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geboemeld hebben
jijzult geboemeld hebben
hijzal geboemeld hebben
wijzullen geboemeld hebben
julliezullen geboemeld hebben
zijzullen geboemeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou boemelen
jijzou boemelen
hijzou boemelen
wijzouden boemelen
julliezouden boemelen
zijzouden boemelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geboemeld hebben
jijzou geboemeld hebben
hijzou geboemeld hebben
wijzouden geboemeld hebben
julliezouden geboemeld hebben
zijzouden geboemeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijboemel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from German bummeln. See: German, old spelling 'bummeln'.

Additional Information