blikken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of blikken

The word "blikken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: blikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: blikkend
Past participle - Verleden deelwoord: geblikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikblik
jijblikt
hijblikt
wijblikken
jullieblikken
zijblikken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geblikt
jijhebt geblikt
hijheeft geblikt
wijhebben geblikt
julliehebben geblikt
zijhebben geblikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikblikte
jijblikte
hijblikte
wijblikten
jullieblikten
zijblikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geblikt
jijhad geblikt
hijhad geblikt
wijhadden geblikt
julliehadden geblikt
zijhadden geblikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal blikken
jijzult blikken
hijzal blikken
wijzullen blikken
julliezullen blikken
zijzullen blikken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geblikt hebben
jijzult geblikt hebben
hijzal geblikt hebben
wijzullen geblikt hebben
julliezullen geblikt hebben
zijzullen geblikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou blikken
jijzou blikken
hijzou blikken
wijzouden blikken
julliezouden blikken
zijzouden blikken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geblikt hebben
jijzou geblikt hebben
hijzou geblikt hebben
wijzouden geblikt hebben
julliezouden geblikt hebben
zijzouden geblikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijblik

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Hij blikte om zich heen. (He glanced around himself.)

Etymology

From Middle Dutch blicken. Equivalent to blik + -en.

Additional Information