bezoedelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bezoedelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bezoedelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bezoedelend
Past participle - Verleden deelwoord: bezoedeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbezoedel
jijbezoedelt
hijbezoedelt
wijbezoedelen
julliebezoedelen
zijbezoedelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bezoedeld
jijhebt bezoedeld
hijheeft bezoedeld
wijhebben bezoedeld
julliehebben bezoedeld
zijhebben bezoedeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbezoedelde
jijbezoedelde
hijbezoedelde
wijbezoedelden
julliebezoedelden
zijbezoedelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bezoedeld
jijhad bezoedeld
hijhad bezoedeld
wijhadden bezoedeld
julliehadden bezoedeld
zijhadden bezoedeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bezoedelen
jijzult bezoedelen
hijzal bezoedelen
wijzullen bezoedelen
julliezullen bezoedelen
zijzullen bezoedelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bezoedeld hebben
jijzult bezoedeld hebben
hijzal bezoedeld hebben
wijzullen bezoedeld hebben
julliezullen bezoedeld hebben
zijzullen bezoedeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bezoedelen
jijzou bezoedelen
hijzou bezoedelen
wijzouden bezoedelen
julliezouden bezoedelen
zijzouden bezoedelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bezoedeld hebben
jijzou bezoedeld hebben
hijzou bezoedeld hebben
wijzouden bezoedeld hebben
julliezouden bezoedeld hebben
zijzouden bezoedeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbezoedel

Translations

  • stain, to taint or tarnish someone's character or reputation
  • befoul, to make foul, to soil
  • blur, smear, stain or smudge
  • defile, to make impure or dirty
  • besmirch, tarnish; debase
  • sully, to soil or stain
  • sully, to corrupt or damage
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    besmeuren
    beduimelen, bevlekken, bevuilen, verontreinigen
    bevuilen
    beduimelen, bekladden, bemorsen, besmeuren, bevlekken
    onteren
    bevlekken, schenden

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from German besudeln. See: German, old spelling 'besudeln'.

    Verbs referencing "bezoedelen"

    Afrikaans besoedel.

    Additional Information