bezielen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bezielen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bezielen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bezielend
Past participle - Verleden deelwoord: bezield

Cognates

See the 4 cognates of bezielen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeziel
jijbezielt
hijbezielt
wijbezielen
julliebezielen
zijbezielen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bezield
jijhebt bezield
hijheeft bezield
wijhebben bezield
julliehebben bezield
zijhebben bezield

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbezielde
jijbezielde
hijbezielde
wijbezielden
julliebezielden
zijbezielden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bezield
jijhad bezield
hijhad bezield
wijhadden bezield
julliehadden bezield
zijhadden bezield

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bezielen
jijzult bezielen
hijzal bezielen
wijzullen bezielen
julliezullen bezielen
zijzullen bezielen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bezield hebben
jijzult bezield hebben
hijzal bezield hebben
wijzullen bezield hebben
julliezullen bezield hebben
zijzullen bezield hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bezielen
jijzou bezielen
hijzou bezielen
wijzouden bezielen
julliezouden bezielen
zijzouden bezielen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bezield hebben
jijzou bezield hebben
hijzou bezield hebben
wijzouden bezield hebben
julliezouden bezield hebben
zijzouden bezield hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeziel

Translations

  • strengthen, to animate
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From ziel + be- -en.

    Verbs referencing "bezielen"

    English besoul, Swedish besjäla.

    Additional Information