bevingeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bevingeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bevingeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bevingerend
Past participle - Verleden deelwoord: bevingerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbevinger
jijbevingert
hijbevingert
wijbevingeren
julliebevingeren
zijbevingeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bevingerd
jijhebt bevingerd
hijheeft bevingerd
wijhebben bevingerd
julliehebben bevingerd
zijhebben bevingerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbevingerde
jijbevingerde
hijbevingerde
wijbevingerden
julliebevingerden
zijbevingerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bevingerd
jijhad bevingerd
hijhad bevingerd
wijhadden bevingerd
julliehadden bevingerd
zijhadden bevingerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bevingeren
jijzult bevingeren
hijzal bevingeren
wijzullen bevingeren
julliezullen bevingeren
zijzullen bevingeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bevingerd hebben
jijzult bevingerd hebben
hijzal bevingerd hebben
wijzullen bevingerd hebben
julliezullen bevingerd hebben
zijzullen bevingerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bevingeren
jijzou bevingeren
hijzou bevingeren
wijzouden bevingeren
julliezouden bevingeren
zijzouden bevingeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bevingerd hebben
jijzou bevingerd hebben
hijzou bevingerd hebben
wijzouden bevingerd hebben
julliezouden bevingerd hebben
zijzouden bevingerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbevinger

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From vinger + be- -en.

Additional Information