bevangen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bevangen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bevangen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bevangend
Past participle - Verleden deelwoord: bevangen

Cognates

See the 3 cognates of bevangen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijbevangt

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft bevangen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijbeving

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad bevangen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal bevangen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal bevangen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou bevangen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou bevangen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

overmeesteren
overvallen, overweldigen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch bevangen, from bevaen, from Old Dutch bifān. Equivalent to be- + vangen.

Verbs referencing "bevangen"

English befang.

Additional Information