bekabelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bekabelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bekabelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bekabelend
Past participle - Verleden deelwoord: bekabeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbekabel
jijbekabelt
hijbekabelt
wijbekabelen
julliebekabelen
zijbekabelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bekabeld
jijhebt bekabeld
hijheeft bekabeld
wijhebben bekabeld
julliehebben bekabeld
zijhebben bekabeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbekabelde
jijbekabelde
hijbekabelde
wijbekabelden
julliebekabelden
zijbekabelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bekabeld
jijhad bekabeld
hijhad bekabeld
wijhadden bekabeld
julliehadden bekabeld
zijhadden bekabeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bekabelen
jijzult bekabelen
hijzal bekabelen
wijzullen bekabelen
julliezullen bekabelen
zijzullen bekabelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bekabeld hebben
jijzult bekabeld hebben
hijzal bekabeld hebben
wijzullen bekabeld hebben
julliezullen bekabeld hebben
zijzullen bekabeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bekabelen
jijzou bekabelen
hijzou bekabelen
wijzouden bekabelen
julliezouden bekabelen
zijzouden bekabelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bekabeld hebben
jijzou bekabeld hebben
hijzou bekabeld hebben
wijzouden bekabeld hebben
julliezouden bekabeld hebben
zijzouden bekabeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbekabel

Translations

  • cable, provide with cable(s)
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information