bejubelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bejubelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bejubelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bejubelend
Past participle - Verleden deelwoord: bejubeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbejubel
jijbejubelt
hijbejubelt
wijbejubelen
julliebejubelen
zijbejubelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bejubeld
jijhebt bejubeld
hijheeft bejubeld
wijhebben bejubeld
julliehebben bejubeld
zijhebben bejubeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbejubelde
jijbejubelde
hijbejubelde
wijbejubelden
julliebejubelden
zijbejubelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bejubeld
jijhad bejubeld
hijhad bejubeld
wijhadden bejubeld
julliehadden bejubeld
zijhadden bejubeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bejubelen
jijzult bejubelen
hijzal bejubelen
wijzullen bejubelen
julliezullen bejubelen
zijzullen bejubelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bejubeld hebben
jijzult bejubeld hebben
hijzal bejubeld hebben
wijzullen bejubeld hebben
julliezullen bejubeld hebben
zijzullen bejubeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bejubelen
jijzou bejubelen
hijzou bejubelen
wijzouden bejubelen
julliezouden bejubelen
zijzouden bejubelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bejubeld hebben
jijzou bejubeld hebben
hijzou bejubeld hebben
wijzouden bejubeld hebben
julliezouden bejubeld hebben
zijzouden bejubeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbejubel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From be- + jubelen.

Additional Information