begoochelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of begoochelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: begoochelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: begoochelend
Past participle - Verleden deelwoord: begoocheld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbegoochel
jijbegoochelt
hijbegoochelt
wijbegoochelen
julliebegoochelen
zijbegoochelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb begoocheld
jijhebt begoocheld
hijheeft begoocheld
wijhebben begoocheld
julliehebben begoocheld
zijhebben begoocheld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbegoochelde
jijbegoochelde
hijbegoochelde
wijbegoochelden
julliebegoochelden
zijbegoochelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad begoocheld
jijhad begoocheld
hijhad begoocheld
wijhadden begoocheld
julliehadden begoocheld
zijhadden begoocheld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal begoochelen
jijzult begoochelen
hijzal begoochelen
wijzullen begoochelen
julliezullen begoochelen
zijzullen begoochelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal begoocheld hebben
jijzult begoocheld hebben
hijzal begoocheld hebben
wijzullen begoocheld hebben
julliezullen begoocheld hebben
zijzullen begoocheld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou begoochelen
jijzou begoochelen
hijzou begoochelen
wijzouden begoochelen
julliezouden begoochelen
zijzouden begoochelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou begoocheld hebben
jijzou begoocheld hebben
hijzou begoocheld hebben
wijzouden begoocheld hebben
julliezouden begoocheld hebben
zijzouden begoocheld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbegoochel

Translations

  • abuse, to deceive
  • cheat, to deceive
  • delude, to deceive
  • hum, to deceive
  • spoof, to deceive
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information