begeesteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of begeesteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: begeesteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: begeesterend
Past participle - Verleden deelwoord: begeesterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbegeester
jijbegeestert
hijbegeestert
wijbegeesteren
julliebegeesteren
zijbegeesteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb begeesterd
jijhebt begeesterd
hijheeft begeesterd
wijhebben begeesterd
julliehebben begeesterd
zijhebben begeesterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbegeesterde
jijbegeesterde
hijbegeesterde
wijbegeesterden
julliebegeesterden
zijbegeesterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad begeesterd
jijhad begeesterd
hijhad begeesterd
wijhadden begeesterd
julliehadden begeesterd
zijhadden begeesterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal begeesteren
jijzult begeesteren
hijzal begeesteren
wijzullen begeesteren
julliezullen begeesteren
zijzullen begeesteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal begeesterd hebben
jijzult begeesterd hebben
hijzal begeesterd hebben
wijzullen begeesterd hebben
julliezullen begeesterd hebben
zijzullen begeesterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou begeesteren
jijzou begeesteren
hijzou begeesteren
wijzouden begeesteren
julliezouden begeesteren
zijzouden begeesteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou begeesterd hebben
jijzou begeesterd hebben
hijzou begeesterd hebben
wijzouden begeesterd hebben
julliezouden begeesterd hebben
zijzouden begeesterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbegeester

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from German begeistern. By surface analysis, be- + geest + -eren. See: German, old spelling 'begeistern'.

Additional Information