bankieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bankieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bankieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bankierend
Past participle - Verleden deelwoord: gebankierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbankier
jijbankiert
hijbankiert
wijbankieren
julliebankieren
zijbankieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebankierd
jijhebt gebankierd
hijheeft gebankierd
wijhebben gebankierd
julliehebben gebankierd
zijhebben gebankierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbankierde
jijbankierde
hijbankierde
wijbankierden
julliebankierden
zijbankierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebankierd
jijhad gebankierd
hijhad gebankierd
wijhadden gebankierd
julliehadden gebankierd
zijhadden gebankierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bankieren
jijzult bankieren
hijzal bankieren
wijzullen bankieren
julliezullen bankieren
zijzullen bankieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebankierd hebben
jijzult gebankierd hebben
hijzal gebankierd hebben
wijzullen gebankierd hebben
julliezullen gebankierd hebben
zijzullen gebankierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bankieren
jijzou bankieren
hijzou bankieren
wijzouden bankieren
julliezouden bankieren
zijzouden bankieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebankierd hebben
jijzou gebankierd hebben
hijzou gebankierd hebben
wijzouden gebankierd hebben
julliezouden gebankierd hebben
zijzouden gebankierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbankier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information