afwegen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afwegen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afwegen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afwegend
Past participle - Verleden deelwoord: afgewogen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikweeg af
jijweegt af
hijweegt af
wijwegen af
julliewegen af
zijwegen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgewogen
jijhebt afgewogen
hijheeft afgewogen
wijhebben afgewogen
julliehebben afgewogen
zijhebben afgewogen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwoog af
jijwoog af
hijwoog af
wijwogen af
julliewogen af
zijwogen af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgewogen
jijhad afgewogen
hijhad afgewogen
wijhadden afgewogen
julliehadden afgewogen
zijhadden afgewogen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afwegen
jijzult afwegen
hijzal afwegen
wijzullen afwegen
julliezullen afwegen
zijzullen afwegen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgewogen hebben
jijzult afgewogen hebben
hijzal afgewogen hebben
wijzullen afgewogen hebben
julliezullen afgewogen hebben
zijzullen afgewogen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afwegen
jijzou afwegen
hijzou afwegen
wijzouden afwegen
julliezouden afwegen
zijzouden afwegen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgewogen hebben
jijzou afgewogen hebben
hijzou afgewogen hebben
wijzouden afgewogen hebben
julliezouden afgewogen hebben
zijzouden afgewogen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijweeg af

Verbs conjugated like 'afwegen'

afwegen, bewegen, heroverwegen, overwegen, wegen,

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

dubben
overdenken, overwegen, wikken

Sample Sentences

  • de voor- en nadelen tegen elkaar afwegen (To consider the pros and cons.)

Etymology

From af + wegen.

Additional Information