afvangen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afvangen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afvangen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afvangend
Past participle - Verleden deelwoord: afgevangen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvang af
jijvangt af
hijvangt af
wijvangen af
jullievangen af
zijvangen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgevangen
jijhebt afgevangen
hijheeft afgevangen
wijhebben afgevangen
julliehebben afgevangen
zijhebben afgevangen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikving af
jijving af
hijving af
wijvingen af
jullievingen af
zijvingen af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgevangen
jijhad afgevangen
hijhad afgevangen
wijhadden afgevangen
julliehadden afgevangen
zijhadden afgevangen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afvangen
jijzult afvangen
hijzal afvangen
wijzullen afvangen
julliezullen afvangen
zijzullen afvangen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgevangen hebben
jijzult afgevangen hebben
hijzal afgevangen hebben
wijzullen afgevangen hebben
julliezullen afgevangen hebben
zijzullen afgevangen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afvangen
jijzou afvangen
hijzou afvangen
wijzouden afvangen
julliezouden afvangen
zijzouden afvangen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgevangen hebben
jijzou afgevangen hebben
hijzou afgevangen hebben
wijzouden afgevangen hebben
julliezouden afgevangen hebben
zijzouden afgevangen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvang af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information