afstempelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afstempelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afstempelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afstempelend
Past participle - Verleden deelwoord: afgestempeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstempel af
jijstempelt af
hijstempelt af
wijstempelen af
julliestempelen af
zijstempelen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgestempeld
jijhebt afgestempeld
hijheeft afgestempeld
wijhebben afgestempeld
julliehebben afgestempeld
zijhebben afgestempeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstempelde af
jijstempelde af
hijstempelde af
wijstempelden af
julliestempelden af
zijstempelden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgestempeld
jijhad afgestempeld
hijhad afgestempeld
wijhadden afgestempeld
julliehadden afgestempeld
zijhadden afgestempeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afstempelen
jijzult afstempelen
hijzal afstempelen
wijzullen afstempelen
julliezullen afstempelen
zijzullen afstempelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgestempeld hebben
jijzult afgestempeld hebben
hijzal afgestempeld hebben
wijzullen afgestempeld hebben
julliezullen afgestempeld hebben
zijzullen afgestempeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afstempelen
jijzou afstempelen
hijzou afstempelen
wijzouden afstempelen
julliezouden afstempelen
zijzouden afstempelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgestempeld hebben
jijzou afgestempeld hebben
hijzou afgestempeld hebben
wijzouden afgestempeld hebben
julliezouden afgestempeld hebben
zijzouden afgestempeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstempel af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From af + stempelen.

Additional Information