afrekenen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afrekenen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afrekenen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afrekenend
Past participle - Verleden deelwoord: afgerekend

Cognates

See the 2 cognates of afrekenen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreken af
jijrekent af
hijrekent af
wijrekenen af
jullierekenen af
zijrekenen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgerekend
jijhebt afgerekend
hijheeft afgerekend
wijhebben afgerekend
julliehebben afgerekend
zijhebben afgerekend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrekende af
jijrekende af
hijrekende af
wijrekenden af
jullierekenden af
zijrekenden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgerekend
jijhad afgerekend
hijhad afgerekend
wijhadden afgerekend
julliehadden afgerekend
zijhadden afgerekend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afrekenen
jijzult afrekenen
hijzal afrekenen
wijzullen afrekenen
julliezullen afrekenen
zijzullen afrekenen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgerekend hebben
jijzult afgerekend hebben
hijzal afgerekend hebben
wijzullen afgerekend hebben
julliezullen afgerekend hebben
zijzullen afgerekend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afrekenen
jijzou afrekenen
hijzou afrekenen
wijzouden afrekenen
julliezouden afrekenen
zijzouden afrekenen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgerekend hebben
jijzou afgerekend hebben
hijzou afgerekend hebben
wijzouden afgerekend hebben
julliezouden afgerekend hebben
zijzouden afgerekend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreken af

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

afdoen
betalen, straffen, vereffenen, voldoen

Sample Sentences

  • [...] kalk dragen. Dit maken ging gemakkelijker dan de spade, en toch had ik aan het een en ander, en aan mijne vergeefsche pogingen, om een kruiwagen zamen te stellen, vier dagen noodig; altijd daar afgerekend mijne morgenwandelingen, die ik zelden verzuimde, en waarvan ik ook meestal iets eetbaars te huis bragt. (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch afrekenen. Equivalent to af + rekenen.

Verbs referencing "afrekenen"

German, old spelling abrechnen, Danish afregne.

Additional Information