afhangen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afhangen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afhangen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afhangend
Past participle - Verleden deelwoord: afgehangen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijhangt af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft afgehangen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijhing af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad afgehangen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal afhangen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal afgehangen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou afhangen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou afgehangen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

  • depend, be contingent or conditioned
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] " mijn buskruid ! " Mijn hart kromp ineen, als ik bedacht, dat een bliksemstraal al mijn kruid kon vernielen, waarvan naar ik dacht, niet alleen mijne veiligheid, maar ook mijn onderhoud geheel afhing. Ik was volstrekt niet bekommerd over mijn eigen gevaar, schoon, als het kruid vlam gevat had, ik zeer ligt doodelijk getroffen had kunnen worden. (Robinson Crusoe)
    • [...] lieden waren, die zich in den jammerlijksten toestand bevonden, dien men zich kan verbeelden, daar zij noch wapens, noch kleederen, noch eenig voedsel hadden, maar geheel van de genade der wilden afhingen, en dat hij verzekerd was, dat, als ik ondernam hen te verlossen, ik in leven en dood op hen kon rekenen. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch afhangen, a calque of Old French dépendre, from Latin dēpendeō. Equivalent to af + hangen. See: Latin 'dēpendeō'.

    Additional Information