aantellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aantellen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aantellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aantellend
Past participle - Verleden deelwoord: aangeteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktel aan
jijtelt aan
hijtelt aan
wijtellen aan
jullietellen aan
zijtellen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangeteld
jijhebt aangeteld
hijheeft aangeteld
wijhebben aangeteld
julliehebben aangeteld
zijhebben aangeteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktelde aan
jijtelde aan
hijtelde aan
wijtelden aan
jullietelden aan
zijtelden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangeteld
jijhad aangeteld
hijhad aangeteld
wijhadden aangeteld
julliehadden aangeteld
zijhadden aangeteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aantellen
jijzult aantellen
hijzal aantellen
wijzullen aantellen
julliezullen aantellen
zijzullen aantellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangeteld hebben
jijzult aangeteld hebben
hijzal aangeteld hebben
wijzullen aangeteld hebben
julliezullen aangeteld hebben
zijzullen aangeteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aantellen
jijzou aantellen
hijzou aantellen
wijzouden aantellen
julliezouden aantellen
zijzouden aantellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangeteld hebben
jijzou aangeteld hebben
hijzou aangeteld hebben
wijzouden aangeteld hebben
julliezouden aangeteld hebben
zijzouden aangeteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtel aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information