aanspijlen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanspijlen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanspijlen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanspijlend
Past participle - Verleden deelwoord: aangespijld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspijl aan
jijspijlt aan
hijspijlt aan
wijspijlen aan
julliespijlen aan
zijspijlen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangespijld
jijhebt aangespijld
hijheeft aangespijld
wijhebben aangespijld
julliehebben aangespijld
zijhebben aangespijld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspijlde aan
jijspijlde aan
hijspijlde aan
wijspijlden aan
julliespijlden aan
zijspijlden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangespijld
jijhad aangespijld
hijhad aangespijld
wijhadden aangespijld
julliehadden aangespijld
zijhadden aangespijld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanspijlen
jijzult aanspijlen
hijzal aanspijlen
wijzullen aanspijlen
julliezullen aanspijlen
zijzullen aanspijlen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangespijld hebben
jijzult aangespijld hebben
hijzal aangespijld hebben
wijzullen aangespijld hebben
julliezullen aangespijld hebben
zijzullen aangespijld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanspijlen
jijzou aanspijlen
hijzou aanspijlen
wijzouden aanspijlen
julliezouden aanspijlen
zijzouden aanspijlen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangespijld hebben
jijzou aangespijld hebben
hijzou aangespijld hebben
wijzouden aangespijld hebben
julliezouden aangespijld hebben
zijzouden aangespijld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspijl aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information