aanroeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanroeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanroeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanroerend
Past participle - Verleden deelwoord: aangeroerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikroer aan
jijroert aan
hijroert aan
wijroeren aan
jullieroeren aan
zijroeren aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangeroerd
jijhebt aangeroerd
hijheeft aangeroerd
wijhebben aangeroerd
julliehebben aangeroerd
zijhebben aangeroerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikroerde aan
jijroerde aan
hijroerde aan
wijroerden aan
jullieroerden aan
zijroerden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangeroerd
jijhad aangeroerd
hijhad aangeroerd
wijhadden aangeroerd
julliehadden aangeroerd
zijhadden aangeroerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanroeren
jijzult aanroeren
hijzal aanroeren
wijzullen aanroeren
julliezullen aanroeren
zijzullen aanroeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangeroerd hebben
jijzult aangeroerd hebben
hijzal aangeroerd hebben
wijzullen aangeroerd hebben
julliezullen aangeroerd hebben
zijzullen aangeroerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanroeren
jijzou aanroeren
hijzou aanroeren
wijzouden aanroeren
julliezouden aanroeren
zijzouden aanroeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangeroerd hebben
jijzou aangeroerd hebben
hijzou aangeroerd hebben
wijzouden aangeroerd hebben
julliezouden aangeroerd hebben
zijzouden aangeroerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijroer aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

aanraken
beroeren
aansnijden
aanstippen, reppen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch aenroeren. Equivalent to aan + roeren.

Additional Information