aandikken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aandikken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aandikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aandikkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangedikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdik aan
jijdikt aan
hijdikt aan
wijdikken aan
julliedikken aan
zijdikken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangedikt
jijhebt aangedikt
hijheeft aangedikt
wijhebben aangedikt
julliehebben aangedikt
zijhebben aangedikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdikte aan
jijdikte aan
hijdikte aan
wijdikten aan
julliedikten aan
zijdikten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangedikt
jijhad aangedikt
hijhad aangedikt
wijhadden aangedikt
julliehadden aangedikt
zijhadden aangedikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aandikken
jijzult aandikken
hijzal aandikken
wijzullen aandikken
julliezullen aandikken
zijzullen aandikken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangedikt hebben
jijzult aangedikt hebben
hijzal aangedikt hebben
wijzullen aangedikt hebben
julliezullen aangedikt hebben
zijzullen aangedikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aandikken
jijzou aandikken
hijzou aandikken
wijzouden aandikken
julliezouden aandikken
zijzouden aandikken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangedikt hebben
jijzou aangedikt hebben
hijzou aangedikt hebben
wijzouden aangedikt hebben
julliezouden aangedikt hebben
zijzouden aangedikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdik aan

Translations

  • embroider, to add imaginary detail to a narrative
  • flesh, to put flesh on
  • heighten, to augment, aggravate, intensify
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    overdrijven
    minimaliseren, bagatelliseren, kleineren

    Sample Sentences

    Etymology

    From aan + dikken.

    Additional Information