aanbellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanbellen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanbellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanbellend
Past participle - Verleden deelwoord: aanbeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbel aan
jijbelt aan
hijbelt aan
wijbellen aan
julliebellen aan
zijbellen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aanbeld
jijhebt aanbeld
hijheeft aanbeld
wijhebben aanbeld
julliehebben aanbeld
zijhebben aanbeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbelde aan
jijbelde aan
hijbelde aan
wijbelden aan
julliebelden aan
zijbelden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aanbeld
jijhad aanbeld
hijhad aanbeld
wijhadden aanbeld
julliehadden aanbeld
zijhadden aanbeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanbellen
jijzult aanbellen
hijzal aanbellen
wijzullen aanbellen
julliezullen aanbellen
zijzullen aanbellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aanbeld hebben
jijzult aanbeld hebben
hijzal aanbeld hebben
wijzullen aanbeld hebben
julliezullen aanbeld hebben
zijzullen aanbeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanbellen
jijzou aanbellen
hijzou aanbellen
wijzouden aanbellen
julliezouden aanbellen
zijzouden aanbellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aanbeld hebben
jijzou aanbeld hebben
hijzou aanbeld hebben
wijzouden aanbeld hebben
julliezouden aanbeld hebben
zijzouden aanbeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbel aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of aan + bellen (“to ring”).

Additional Information