Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: zegenen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zegenend
Past participle - Verleden deelwoord: gezegend
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | zegen |
| jij | zegent |
| hij | zegent |
| wij | zegenen |
| jullie | zegenen |
| zij | zegenen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gezegend |
| jij | hebt gezegend |
| hij | heeft gezegend |
| wij | hebben gezegend |
| jullie | hebben gezegend |
| zij | hebben gezegend |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | zegende |
| jij | zegende |
| hij | zegende |
| wij | zegenden |
| jullie | zegenden |
| zij | zegenden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gezegend |
| jij | had gezegend |
| hij | had gezegend |
| wij | hadden gezegend |
| jullie | hadden gezegend |
| zij | hadden gezegend |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal zegenen |
| jij | zult zegenen |
| hij | zal zegenen |
| wij | zullen zegenen |
| jullie | zullen zegenen |
| zij | zullen zegenen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gezegend hebben |
| jij | zult gezegend hebben |
| hij | zal gezegend hebben |
| wij | zullen gezegend hebben |
| jullie | zullen gezegend hebben |
| zij | zullen gezegend hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou zegenen |
| jij | zou zegenen |
| hij | zou zegenen |
| wij | zouden zegenen |
| jullie | zouden zegenen |
| zij | zouden zegenen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gezegend hebben |
| jij | zou gezegend hebben |
| hij | zou gezegend hebben |
| wij | zouden gezegend hebben |
| jullie | zouden gezegend hebben |
| zij | zouden gezegend hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'zegenen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'zegenen'
regenen,
zegelen,
begeren,
begeven,
inzegenen,
kegelen,
ketenen,
legeren,
negeren,
oefenen,
Translations
bless, confer blessing on
Sample Sentences
-
[...] goede raadgevingen mijns vaders in de gedachten, en vervolgens zijne voorspelling, die ik in het begin van mijne geschiedenis vermeld heb, namelijk, dat als ik dezen dwazen stap deed, God mij niet zegenen zoude, en ik nog lang berouw zou hebben, dat ik zijn raad in den wind geslagen had, als er niemand was om mij te helpen dien te herstellen. Nu, zeide ik luid, zijn mijns vaders woorden vervuld, Gods [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] verscheurende dieren; er waren geene venijnige dieren of giftige planten, geene wilden om mij te slagten. Kortom, schoon mijn leven aan den eenen kant zeer treurig was, was het aan den anderen kant gezegend; zoo ik slechts een regt besef had van Gods goedheid en zorg voor mij, en hieruit mijne dagelijksche vertroosting putte. Toen ik deze dingen goed inzag, was ik niet meer ter nedergeslagen.
(Robinson Crusoe)
-
Men zou denken, dat ik in een toestand, zoo gezegend in alle opzigten, buiten alle gevaren was, en dit zou ook zoo geweest zijn als ik niet tot een zwervend leven bestemd was geweest. Ik had vrouw noch kinderen, weinig bloedverwanten, en hoezeer rijk, [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch segenen, from Old Dutch *seginon, from Latin signāre. By surface analysis, zegen + -en. Cognate to German segnen, English sain. Doublet of seinen. See: Old Dutch '*seginon', German, old spelling '
segnen', English '
sain'.
Verbs referencing "zegenen"
English
sain, German, old spelling
segnen, German, Pennsylvania
segne, Luxembourgish
seenen, Afrikaans
seën, Old English
segnian.
Additional Information