Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: wandelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wandelend
Past participle - Verleden deelwoord: gewandeld
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | wandel |
| jij | wandelt |
| hij | wandelt |
| wij | wandelen |
| jullie | wandelen |
| zij | wandelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gewandeld |
| jij | hebt gewandeld |
| hij | heeft gewandeld |
| wij | hebben gewandeld |
| jullie | hebben gewandeld |
| zij | hebben gewandeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | wandelde |
| jij | wandelde |
| hij | wandelde |
| wij | wandelden |
| jullie | wandelden |
| zij | wandelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gewandeld |
| jij | had gewandeld |
| hij | had gewandeld |
| wij | hadden gewandeld |
| jullie | hadden gewandeld |
| zij | hadden gewandeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal wandelen |
| jij | zult wandelen |
| hij | zal wandelen |
| wij | zullen wandelen |
| jullie | zullen wandelen |
| zij | zullen wandelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gewandeld hebben |
| jij | zult gewandeld hebben |
| hij | zal gewandeld hebben |
| wij | zullen gewandeld hebben |
| jullie | zullen gewandeld hebben |
| zij | zullen gewandeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou wandelen |
| jij | zou wandelen |
| hij | zou wandelen |
| wij | zouden wandelen |
| jullie | zouden wandelen |
| zij | zouden wandelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gewandeld hebben |
| jij | zou gewandeld hebben |
| hij | zou gewandeld hebben |
| wij | zouden gewandeld hebben |
| jullie | zouden gewandeld hebben |
| zij | zouden gewandeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'wandelen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'wandelen'
handelen,
wankelen,
aanhelen,
aantelen,
adelen,
bewandelen,
bundelen,
canderen,
indelen,
jangelen,
Translations
roam, wander freely
stroll, wander on foot
Sample Sentences
-
[...] verdienen, noch tot zulke ingewikkelde zaken, die de ziel van haren vrede, het ligchaam van zijne rust berooven; verwijderd van de knagingen der afgunst, niet verteerd door bedekte eerzucht; aldus wandelt men welgemoed het leven door, smaakt de zuiverste geneugten des levens, gevoelt zijn geluk en leert dagelijks zijn lot meer naar waarde schatten. " Hierop drong hij ernstig en op de liefderijkste [...]
(Robinson Crusoe)
-
Maar altijd kwam er iets in mij op, dat deze gedachten stuitte, en mij er over berispte. Op zekeren dag in het bijzonder, toen ik met mijn geweer in de hand langs het strand wandelde, peinsde ik ernstig over mijn tegenwoordigen toestand, toen mijne rede als het ware toetrad, en mij de zaak van eene andere zijde deed beschouwen. Het is waar, zeide zij, gij zijt in een rampzaligen [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] was geworden, kort na mijne laatste reis derwaarts, was opgeheven en op zijde geworpen, en het zand was aan dien kant bij den spiegel zoo hoog opgeworpen, dat ik er thans bij laag water naar toe kon wandelen. In het eerst stond ik hierover verbaasd, maar weldra begreep ik, dat het door de aardbeving moest geschied zijn, en daar thans het schip meer dan te voren opengeslagen was, kwamen er dagelijks vele [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] de Spaansche landen en Brazilië; waar de ergste wilden wonen; want het zijn kannibalen of menscheneters, die alle menschen, welke hun in handen vallen, vermoorden en verslinden. Onder deze gedachten wandelde ik langzaam verder.
(Robinson Crusoe)
-
Ik was eerst zoo vast in slaap, omdat ik zeer vermoeid was van het roeijen of liever pagaaijen, dat ik in het begin van den dag gedaan had, en van het wandelen naderhand, dat ik maar half wakker werd, en tusschen slapen en waken in, dacht dat ik droomde, dat iemand mij riep. Maar toen de stem herhaaldelijk bleef roepen: " Robin, Robinson Crusoe ! " begon [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch wandelen, from Old Dutch *wandilon, from Proto-West Germanic *wandalōn. See: Old Dutch '*wandilon'.
Verbs referencing "wandelen"
English
wander, Low Saxon wanneln.
Additional Information