wandelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wandelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wandelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wandelend
Past participle - Verleden deelwoord: gewandeld

Cognates

See the 6 cognates of wandelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwandel
jijwandelt
hijwandelt
wijwandelen
julliewandelen
zijwandelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewandeld
jijhebt gewandeld
hijheeft gewandeld
wijhebben gewandeld
julliehebben gewandeld
zijhebben gewandeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwandelde
jijwandelde
hijwandelde
wijwandelden
julliewandelden
zijwandelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewandeld
jijhad gewandeld
hijhad gewandeld
wijhadden gewandeld
julliehadden gewandeld
zijhadden gewandeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wandelen
jijzult wandelen
hijzal wandelen
wijzullen wandelen
julliezullen wandelen
zijzullen wandelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewandeld hebben
jijzult gewandeld hebben
hijzal gewandeld hebben
wijzullen gewandeld hebben
julliezullen gewandeld hebben
zijzullen gewandeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wandelen
jijzou wandelen
hijzou wandelen
wijzouden wandelen
julliezouden wandelen
zijzouden wandelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewandeld hebben
jijzou gewandeld hebben
hijzou gewandeld hebben
wijzouden gewandeld hebben
julliezouden gewandeld hebben
zijzouden gewandeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwandel

Translations

  • roam, wander freely
  • stroll, wander on foot
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    flaneren
    lopen, slenteren

    Sample Sentences

    • [...] verdienen, noch tot zulke ingewikkelde zaken, die de ziel van haren vrede, het ligchaam van zijne rust berooven; verwijderd van de knagingen der afgunst, niet verteerd door bedekte eerzucht; aldus wandelt men welgemoed het leven door, smaakt de zuiverste geneugten des levens, gevoelt zijn geluk en leert dagelijks zijn lot meer naar waarde schatten. " Hierop drong hij ernstig en op de liefderijkste [...] (Robinson Crusoe)
    • Maar altijd kwam er iets in mij op, dat deze gedachten stuitte, en mij er over berispte. Op zekeren dag in het bijzonder, toen ik met mijn geweer in de hand langs het strand wandelde, peinsde ik ernstig over mijn tegenwoordigen toestand, toen mijne rede als het ware toetrad, en mij de zaak van eene andere zijde deed beschouwen. Het is waar, zeide zij, gij zijt in een rampzaligen [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] was geworden, kort na mijne laatste reis derwaarts, was opgeheven en op zijde geworpen, en het zand was aan dien kant bij den spiegel zoo hoog opgeworpen, dat ik er thans bij laag water naar toe kon wandelen. In het eerst stond ik hierover verbaasd, maar weldra begreep ik, dat het door de aardbeving moest geschied zijn, en daar thans het schip meer dan te voren opengeslagen was, kwamen er dagelijks vele [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] de Spaansche landen en Brazilië; waar de ergste wilden wonen; want het zijn kannibalen of menscheneters, die alle menschen, welke hun in handen vallen, vermoorden en verslinden. Onder deze gedachten wandelde ik langzaam verder. (Robinson Crusoe)
    • Ik was eerst zoo vast in slaap, omdat ik zeer vermoeid was van het roeijen of liever pagaaijen, dat ik in het begin van den dag gedaan had, en van het wandelen naderhand, dat ik maar half wakker werd, en tusschen slapen en waken in, dacht dat ik droomde, dat iemand mij riep. Maar toen de stem herhaaldelijk bleef roepen: " Robin, Robinson Crusoe ! " begon [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch wandelen, from Old Dutch *wandilon, from Proto-West Germanic *wandalōn. See: Old Dutch '*wandilon'.

    Verbs referencing "wandelen"

    English wander, Low Saxon wanneln.

    Additional Information