suikeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of suikeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: suikeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: suikerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesuikerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksuiker
jijsuikert
hijsuikert
wijsuikeren
julliesuikeren
zijsuikeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesuikerd
jijhebt gesuikerd
hijheeft gesuikerd
wijhebben gesuikerd
julliehebben gesuikerd
zijhebben gesuikerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksuikerde
jijsuikerde
hijsuikerde
wijsuikerden
julliesuikerden
zijsuikerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesuikerd
jijhad gesuikerd
hijhad gesuikerd
wijhadden gesuikerd
julliehadden gesuikerd
zijhadden gesuikerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal suikeren
jijzult suikeren
hijzal suikeren
wijzullen suikeren
julliezullen suikeren
zijzullen suikeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesuikerd hebben
jijzult gesuikerd hebben
hijzal gesuikerd hebben
wijzullen gesuikerd hebben
julliezullen gesuikerd hebben
zijzullen gesuikerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou suikeren
jijzou suikeren
hijzou suikeren
wijzouden suikeren
julliezouden suikeren
zijzouden suikeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesuikerd hebben
jijzou gesuikerd hebben
hijzou gesuikerd hebben
wijzouden gesuikerd hebben
julliezouden gesuikerd hebben
zijzouden gesuikerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsuiker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information