stapelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stapelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stapelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stapelend
Past participle - Verleden deelwoord: gestapeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstapel
jijstapelt
hijstapelt
wijstapelen
julliestapelen
zijstapelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestapeld
jijhebt gestapeld
hijheeft gestapeld
wijhebben gestapeld
julliehebben gestapeld
zijhebben gestapeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstapelde
jijstapelde
hijstapelde
wijstapelden
julliestapelden
zijstapelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestapeld
jijhad gestapeld
hijhad gestapeld
wijhadden gestapeld
julliehadden gestapeld
zijhadden gestapeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stapelen
jijzult stapelen
hijzal stapelen
wijzullen stapelen
julliezullen stapelen
zijzullen stapelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestapeld hebben
jijzult gestapeld hebben
hijzal gestapeld hebben
wijzullen gestapeld hebben
julliezullen gestapeld hebben
zijzullen gestapeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stapelen
jijzou stapelen
hijzou stapelen
wijzouden stapelen
julliezouden stapelen
zijzouden stapelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestapeld hebben
jijzou gestapeld hebben
hijzou gestapeld hebben
wijzouden gestapeld hebben
julliezouden gestapeld hebben
zijzouden gestapeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstapel

Translations

  • nest, to successively place inside another
  • stack, To place objects or material in the form of a stack
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    ophopen
    tassen

    Sample Sentences

    • [...] de zeilen, en eenige staken, die ik daarvoor gekapt had, eene kleine tent te maken, en in deze tent bragt ik alles wat ik wist, dat door regen of zon bederven kon, en al de ledige kisten en vaten stapelde ik in een kring rondom de tent, om die te versterken tegen eenigen onverhoedschen aanval van menschen of beesten. Toen ik dit gedaan had, sloot ik den ingang der tent met eenige planken van binnen, [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] om hulp te vragen. Ik had tegenwoordigheid van geest genoeg, om te begrijpen, dat zoo ik hen niet kon helpen, zij dit mij konden doen; dus haalde ik al het drooge hout bijeen, dat ik vinden kon, stapelde het op een hoop en stak het in brand. Het hout was droog en brandde fel op, en hoe hard het ook woei, brandde het geheel op, zoodat als er een schip was, men het daar zien moest. Ongetwijfeld was [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch stapelen, borrowed from Middle Low German stapelen, related to the noun stapel, from Old Saxon stapol (“basis, pillar, foundation”).

    Additional Information