rommelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rommelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rommelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rommelend
Past participle - Verleden deelwoord: gerommeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrommel
jijrommelt
hijrommelt
wijrommelen
jullierommelen
zijrommelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerommeld
jijhebt gerommeld
hijheeft gerommeld
wijhebben gerommeld
julliehebben gerommeld
zijhebben gerommeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrommelde
jijrommelde
hijrommelde
wijrommelden
jullierommelden
zijrommelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerommeld
jijhad gerommeld
hijhad gerommeld
wijhadden gerommeld
julliehadden gerommeld
zijhadden gerommeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rommelen
jijzult rommelen
hijzal rommelen
wijzullen rommelen
julliezullen rommelen
zijzullen rommelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerommeld hebben
jijzult gerommeld hebben
hijzal gerommeld hebben
wijzullen gerommeld hebben
julliezullen gerommeld hebben
zijzullen gerommeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rommelen
jijzou rommelen
hijzou rommelen
wijzouden rommelen
julliezouden rommelen
zijzouden rommelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerommeld hebben
jijzou gerommeld hebben
hijzou gerommeld hebben
wijzouden gerommeld hebben
julliezouden gerommeld hebben
zijzouden gerommeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrommel

Translations

  • root, to rummage, root out
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Of imitative origin, cognate with English rumble, German rummeln. See: English 'rumble', German, old spelling 'rummeln'.

    Verbs referencing "rommelen"

    English rumble, German, old spelling rummeln, English rumple.

    Additional Information