murmelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of murmelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: murmelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: murmelend
Past participle - Verleden deelwoord: gemurmeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmurmel
jijmurmelt
hijmurmelt
wijmurmelen
julliemurmelen
zijmurmelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemurmeld
jijhebt gemurmeld
hijheeft gemurmeld
wijhebben gemurmeld
julliehebben gemurmeld
zijhebben gemurmeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmurmelde
jijmurmelde
hijmurmelde
wijmurmelden
julliemurmelden
zijmurmelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemurmeld
jijhad gemurmeld
hijhad gemurmeld
wijhadden gemurmeld
julliehadden gemurmeld
zijhadden gemurmeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal murmelen
jijzult murmelen
hijzal murmelen
wijzullen murmelen
julliezullen murmelen
zijzullen murmelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemurmeld hebben
jijzult gemurmeld hebben
hijzal gemurmeld hebben
wijzullen gemurmeld hebben
julliezullen gemurmeld hebben
zijzullen gemurmeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou murmelen
jijzou murmelen
hijzou murmelen
wijzouden murmelen
julliezouden murmelen
zijzouden murmelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemurmeld hebben
jijzou gemurmeld hebben
hijzou gemurmeld hebben
wijzouden gemurmeld hebben
julliezouden gemurmeld hebben
zijzouden gemurmeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmurmel

Translations

  • burble, to bubble, to gurgle
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    mompelen
    prevelen, ruisen

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information