jodelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of jodelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: jodelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jodelend
Past participle - Verleden deelwoord: gejodeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjodel
jijjodelt
hijjodelt
wijjodelen
julliejodelen
zijjodelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejodeld
jijhebt gejodeld
hijheeft gejodeld
wijhebben gejodeld
julliehebben gejodeld
zijhebben gejodeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjodelde
jijjodelde
hijjodelde
wijjodelden
julliejodelden
zijjodelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejodeld
jijhad gejodeld
hijhad gejodeld
wijhadden gejodeld
julliehadden gejodeld
zijhadden gejodeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal jodelen
jijzult jodelen
hijzal jodelen
wijzullen jodelen
julliezullen jodelen
zijzullen jodelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejodeld hebben
jijzult gejodeld hebben
hijzal gejodeld hebben
wijzullen gejodeld hebben
julliezullen gejodeld hebben
zijzullen gejodeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou jodelen
jijzou jodelen
hijzou jodelen
wijzouden jodelen
julliezouden jodelen
zijzouden jodelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejodeld hebben
jijzou gejodeld hebben
hijzou gejodeld hebben
wijzouden gejodeld hebben
julliezouden gejodeld hebben
zijzouden gejodeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjodel

Translations

  • yodel, to sing in such a way that the voice fluctuates rapidly between the normal chest voice and falsetto
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from German jodeln. See: German, old spelling 'jodeln'.

    Additional Information